Netcongestie: ‘Je moet groot kunnen denken en klein kunnen doen’
Voor veel organisaties lijkt netcongestie het einde van hun verduurzamings- of groeiplannen. Reden om noodzakelijke investeringen maar ‘on hold’ te zetten. ‘Vaak onnodig’, zegt David Peters, CEO van Batenburg Techniek. ‘Klanten hebben vaak veel meer mogelijkheden dan ze denken.’

Of het nu gaat om elektrificeren, verduurzamen of uitbreiden, steeds meer organisaties lopen daarbij tegen hetzelfde aan: het elektriciteitsnet zit vol. Voor veel bedrijven voelt dat als een rem op groei en innovatie. Want wachten op netverzwaring lijkt vaak de enige optie. Maar volgens David Peters, CEO van Batenburg Techniek, hoeft dat zeker niet zo te zijn. Hij ziet juist volop mogelijkheden om binnen de bestaande netcapaciteit oplossingen te vinden. ‘Begrijp me niet verkeerd. Op sommige plekken is netcongestie echt een belemmering. Die nuance is belangrijk. Maar ik zie ook dat er op heel veel locaties nog ruimte is om slimmer met energie om te gaan. Niet vóór de meter, maar juist erachter, op het eigen bedrijventerrein.’
We beginnen altijd met de vraag: wat kunnen we morgen al doen? Juist door klein te beginnen, ontstaan steeds geavanceerdere oplossingen die samen tot het grotere doel leiden
Er is nog ruimte
Volgens Peters kijken en handelen veel organisaties nog vanuit het oude paradigma: meer vraag betekent automatisch een zwaardere aansluiting. Peters: ‘Bedrijven waren ook altijd gewend dat ze extra energie konden regelen wanneer dat nodig was. Maar zo werkt het helaas niet meer. Energie is een schaars goed geworden.’ Dat betekent volgens hem niet dat er geen mogelijkheden zijn. Die zijn er namelijk wel degelijk. Bedrijven moeten alleen niet meteen denken aan de eindsituatie. Peters: ‘Kijk naar wat er vandaag al wél kan. Waar kunnen we beginnen? Zo maken we het probleem behapbaar. Je moet groot kunnen denken en klein kunnen doen. Gewoon beginnen dus.’ Juist die stapsgewijze aanpak verlaagt volgens hem de drempel om in beweging te komen en oplossingen te vinden.
Slimme aansturing
Die pragmatische aanpak past Batenburg Techniek ook toe bij klanten. Peters noemt fietsonderdelenfabrikant Shimano als voorbeeld. ‘Hier was de bouw van een nieuw hoofdkantoor niet mogelijk op het bedrijventerrein, omdat de netaansluiting onvoldoende was. Dat hebben we opgelost door de energievoorziening autonoom te maken door opwek met zonnepanelen, opslag en slimme aansturing door middel van een dataplatform. Zo kan de productielocatie ook tijdens piekbelasting blijven functioneren zonder extra netcapaciteit.’ Een ander voorbeeld is afvalverwerker Renewi, waar de elektrificatie van het wagenpark stap voor stap wordt opgebouwd en uitgebreid met slimme laadsturing, automatisering en veiligheidsmaatregelen.
Begin klein
Peters: ‘Klanten waren in het begin al blij als ze een melding kregen wanneer hun voertuig was opgeladen. Zo stonden ze ’s ochtends niet met een lege vrachtwagen. Inmiddels helpen we klanten bij het sturen op energieprijzen en de inzet van de voertuigen. In sommige situaties kan slim laden zo’n dertig procent op de energiekosten besparen. We zijn echter nooit begonnen met een complex eindplaatje, maar met de vraag: wat kunnen we morgen al doen? Juist door klein te beginnen, ontstaan steeds geavanceerdere oplossingen.’
Eén geheel
Dit alles vraagt wel om een andere manier van kijken naar energie. Peters: ‘Energie is veel centraler komen te staan. Door de prijs, maar ook door de beschikbaarheid ervan. Dat vraagt van organisaties dat ze hun productieproces, hun energievoorziening en hun automatisering veel meer als één geheel gaan bekijken. Door processen slimmer op elkaar af te stemmen, energieverbruik beter te plannen en automatisering in te zetten, ontstaat ruimte.’
Je moet mensen bij elkaar brengen die elkaar vroeger nauwelijks spraken. Specialisten in productie, automatisering, energie en installatietechniek moeten samen oplossingen ontwikkelen
Zoek oplossingen op de kruispunten
Peters haalt het openbaar vervoer aan als voorbeeld. ‘Busplanningen en ritten kunnen worden afgestemd op hoeveel energie er beschikbaar is. En worden zo steeds meer geïntegreerd. Dan ga je ineens heel andere keuzes maken over wanneer voertuigen te laden en hoeveel energie daarvoor nodig is.’
Volgens Peters missen veel bedrijven kansen doordat verschillende disciplines langs elkaar heen werken. ‘Vroeger had je iemand die verstand had van energie. Nu moet je kennis van het productieproces, het energiesysteem, automatisering én de hardware bij elkaar brengen. Daar zit de echte verandering. Nieuwe oplossingen ontstaan op de kruispunten van verschillende vakgebieden. Kijk naar een fabriek. Productieprocessen kunnen nu worden afgestemd op de beschikbare hoeveelheid energie. Zoals bij het koelen van opslagruimtes: wanneer er veel energie beschikbaar is, kan extra worden gekoeld. Daardoor ontstaat een buffer, zodat de temperatuur iets mag oplopen wanneer er minder energie beschikbaar is.’
Nieuw leiderschap
De nieuwe wereld van energie vraagt volgens Peters ook iets van bestuurders. ‘Dit is een systeemverandering die vraagt om nieuwsgierigheid en de bereidheid om samen te onderzoeken hoe het wél kan. De kracht van leiderschap zit hem dan ook vooral in het kunnen organiseren van samenwerking. Je moet mensen bij elkaar brengen die elkaar vroeger nauwelijks spraken. Specialisten in productie, automatisering, energie en installatietechniek moeten samen oplossingen ontwikkelen.’
Niet wachten
De komende jaren blijft uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk. Daarover bestaat volgens Peters geen twijfel. Tegelijkertijd ziet hij veel kansen in de automatisering van de energietransitie. ‘Europa moet verder elektrificeren om minder afhankelijk te worden van fossiele energie. Dat nieuwe energiesysteem bouwen is een enorme opgave. Maar juist daarom moeten we niet stil blijven staan.’ Zijn belangrijkste advies aan organisaties is daarom eenvoudig. ‘Blijf zoeken naar praktische oplossingen en blijf stappen zetten. Kijk steeds opnieuw hoe het wél kan. Discussies gaan vaak over alle beren op de weg. Maar als je een probleem kleiner en concreter maakt, blijken er meestal ook veel minder beren te zijn.’